Handleiding SMP
Inleiding
De biodiversiteit in stedelijke gebieden staat onder druk, dit komt onder andere door de groei van ruimtelijke ontwikkelingen zoals woningbouw en verduurzamingsmaatregelen. Doordat het niet goed gaat met veel populaties van beschermde soorten staan gemeentes steeds vaker voor de uitdaging om natuurbehoud en ruimtelijke ontwikkeling in balans te brengen.
Een Soortenmanagementplan (hierna: SMP) biedt hiervoor een oplossing. Het SMP biedt gemeenten via een gebiedsgerichte aanpak houvast voor het behoud en de versterking van populaties én hun leefgebieden. Dit gebeurt via de zogeheten ecologische plus. Het SMP bevat een concreet plan voor het behalen van instandhoudingsdoelstellingen en vormt de basis voor een langdurige omgevingsvergunning bij ruimtelijke ingrepen.
De provincie Overijssel ondersteunt gemeenten actief bij het opstellen van een SMP. Deze handleiding biedt praktische hulp, zodat gemeenten op basis daarvan een omgevingsvergunning kunnen aanvragen.
Heeft u vragen over het opstellen van een Soortenmanagementplan, de subsidie of de toepassing van deze handleiding? Neem dan contact op met het Overijssel loket. We denken graag met u mee.
Het SMP en de bijbehorende aanvraag om een omgevingsvergunning hebben een aantal onderdelen die in ieder geval terug moeten komen. Deze onderdelen werken we in de hoofdstukken van deze handleiding verder uit, maar hieronder vindt u alvast een overzicht. Achter elk onderdeel staat weergegeven in welk hoofdstuk u hier meer informatie over terug kunt vinden.
|
Omschrijving en afbakening van het gebied waarbinnen het SMP geldt (inclusief indeling in deelgebieden);
|
hoofdstuk 2 |
|
Beschrijving van de werkzaamheden die onder het SMP vallen;
|
hoofdstuk 2 |
|
Beschrijving van de gebruikers van het SMP;
|
hoofdstuk 2 |
|
Beschrijving van de methodiek van het onderzoek;
|
hoofdstuk 3 |
|
Resultaten van het onderzoek met een beschrijving van de voorkomende soorten en functies;
|
hoofdstuk 3 |
|
Effectbepaling met beschrijving van de functie van het SMP-gebied voor soorten en effecten op de staat van instandhouding van de soorten;
|
hoofdstuk 4 |
|
Kansen- en knelpuntenanalyse voor alle voorkomende soorten;
|
hoofdstuk 4 |
|
Overzicht van verbodsbepalingen waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd;
|
hoofdstuk 4 |
|
Onderbouwing van ambitie en doelen voor de lange termijn;
|
hoofdstuk 5 |
|
Een onderbouwd mitigatie- en compensatieplan;
|
hoofdstuk 6 |
|
Monitoringsplan met een onderbouwing van de bijsturing;
|
hoofdstuk 7 |
|
Managementplan voor administratie en rapportage;
|
hoofdstuk 8 |
|
Eisen aan een SMP-registratiesysteem |
bijlage I |
Voordat gestart wordt met het opstellen van het SMP, is het van belang dat de gemeente haar intenties en ambities helder formuleert. Wat wil de gemeente bereiken en hoe draagt het SMP bij aan biodiversiteit én andere maatschappelijke opgaven? Dit hoofdstuk beschrijft hoe de reikwijdte van het SMP wordt bepaald en welke activiteiten kunnen worden opgenomen. Ook komt aan bod welke financiële ondersteuning beschikbaar is en welke samenwerkingspartners en beleidskeuzes kunnen bijdragen aan een succesvol en gedragen SMP.
De gemeente ontwikkelt een SMP voor één of meerdere woonkernen, zoals begrensd door het CBS. De begrenzing van woonkernen kunnen in overleg met de provincie, op basis van een gedegen ecologische onderbouwing, afwijken van de CBS gebiedsgrenzen. Het buitengebied kan eventueel ook deel uitmaken van een SMP.
Onder een SMP kunnen diverse ruimtelijke activiteiten en ingrepen vallen. De na-isolatie van de particuliere woningen wordt standaard als activiteit in het SMP opgenomen. Daarnaast kunnen gemeenten ervoor kiezen om andere activiteiten mee te nemen, zoals:
- woningbouwprojecten;
- sloopwerkzaamheden;
- na-isolatie van woningcorporaties;
- plaatsen van zonnepanelen;
- Onderhoud en verbouwingen;
- Ingrepen in groenvoorzieningen.
Elke activiteit heeft een ander effect op beschermde soorten. Daarom zijn per activiteit specifieke maatregelen nodig. De gemeente bepaalt zelf welke activiteiten in het SMP worden uitgewerkt.
Een SMP biedt de mogelijkheid om een omgevingsvergunning aan te vragen voor alle onder de Omgevingswet beschermde soorten, mits voldaan wordt aan de wettelijke voorwaarden. Gemeenten kiezen zelf welke soorten zij opnemen in het SMP. De soorten die in ieder geval meestal worden opgenomen in een SMP zijn alle aanwezige gebouw bewonende vleermuissoorten, de huismus, de gierzwaluw en de egel. Voor soorten die buiten het SMP worden gelaten en wel voor kunnen komen, kan regulier ecologisch onderzoek en een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn.
Om het SMP effectief te kunnen implementeren is het verstandig dat dit wordt verankerd in gemeentelijk beleid. Dit kan door het SMP te borgen in bijvoorbeeld de omgevingsvisie, omgevingsplannen, klimaatadaptatieplannen, groenbeheer en beeldkwaliteitsplannen. Een vroegtijdige implementatie van SMP maatregelen in het ontwerpproces, zoals het standaardiseren van natuurinclusief bouwen en aanpassen van groenbeheer, kan helpen om SMP-doelen te behalen. Het is belangrijk om voorafgaand ambities te stellen en uit te zoeken welke mogelijkheden er zijn in de gemeente om het SMP te borgen.
Verder moet duidelijk zijn welke financiële middelen beschikbaar zijn voor de ontwikkeling en uitvoering van het SMP. Naast de kosten die gemaakt worden tijdens het onderzoek en opstellen van het SMP, is er ook financiering nodig voor het implementeren van de SMP-maatregelen en het uitvoeren van de monitoring. Een gemeente kan subsidie aanvragen voor het voorbereiden, opstellen, implementeren, uitvoeren en monitoren van een SMP Lees de voorwaarden van de subsidie Gemeentelijk soortenmanagementplan voor natuurvriendelijk isoleren.
Het SMP levert een bijdrage aan het oplossen van bredere ecologische en maatschappelijke problemen. Hierbij is samenwerking met andere partijen van essentieel belang. Denk aan woningcorporaties, projectontwikkelaars, bedrijven en Verenigingen van Eigenaren (VvE’s.)
Woningcorporaties of projectontwikkelaars hebben, bijvoorbeeld rondom de energietransitie, vergelijkbare uitdagingen. Deze organisaties kunnen door middel van een SMP veel losse vergunningstrajecten voorkomen en daardoor veel tijd en kosten besparen. Dergelijke organisaties kunnen een financiële bijdrage leveren aan de kosten van ecologisch onderzoek. Denk ook aan samenwerking met inwoners en lokale natuurorganisaties. Lokale vogelwerkgroepen, vleermuiswerkgroepen en natuurverenigingen beschikken vaak over waardevolle kennis van de omgeving en de aanwezig soorten.Gemeenten hebben de vrijheid om zelf te bepalen welke partijen zij betrekken bij de totstandkoming van een SMP. Het is raadzaam om tijdig te starten met het benaderen van relevante samenwerkingspartners. Doordat de woningbouwcorporaties in het bezit zijn van een grote hoeveelheid vastgoed zorgt het betrekken van met name deze organisaties voor een grotere kans op succes.
De basis van een soortenmanagementplan is altijd een gedegen nulmeting van de natuurwaarden in de woonkernen van een gemeente. Het is belangrijk om te weten welke soorten er zijn, zodat deze beschermd worden. De nulmeting geeft een betrouwbaar beeld van de aantallen (populatieomvang), leefgebieden en belangrijke ecologische functies.
Het ecologisch onderzoek is een nulmeting. Het laat zien wat de huidige natuurwaarden zijn. Deze nulmeting is nodig om later te kunnen beoordelen hoe de populaties zich ontwikkelen en of de maatregelen goed werken.
Dit ecologisch onderzoek is niet gericht op het aantonen van alle nest- en verblijfplaatsen of andere functies. Daarom ligt de focus bij de nulmeting op het identificeren van belangrijke verblijfplaatsen, kolonies, leefgebieden en netwerken. Deze informatie wordt gebruikt voor een effectanalyse en om de monitoring te duiden. Meer informatie hierover staat in hoofdstuk 4 (effectenbepaling) en hoofdstuk 7 (monitoring).
Op basis van een voorstudie wordt uitgezocht hoe het onderzoek zal worden uitgevoerd. Daarna wordt een plan van aanpak gemaakt. Dit plan wordt voorgelegd aan Provincie Overijssel. Het is belangrijk om duidelijk te hebben:
- Welke soorten onderzocht worden;
- Wat de opzet is van het onderzoek, inclusief verdeling in deelgebieden;
- Wat de planning en de onderzoeksinspanning zijn.
Met literatuuronderzoek, waarbij gebruik wordt gemaakt van eerder uitgevoerde onderzoeken en verspreidingsgegevens, ontstaat een beeld van de aanwezige natuurwaarden. Tijdens het veldonderzoek wordt extra aandacht besteed aan belangrijke structuren en verblijven. Kennis uit literatuur wordt onderbouwd en aangevuld met verder onderzoek.
Onderzoek naar beschermde soorten wordt uitgevoerd op basis van de meest actuele kennis en inzichten. Er ontstaat regelmatig onduidelijkheid over de vereisten voor dergelijk onderzoek, daarom zijn er diverse protocollen opgesteld. Deze protocollen worden regelmatig geactualiseerd vanwege nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Het is belangrijk om altijd de meest recente versie van het protocol te gebruiken.
Voor sommige soorten is nog geen specifiek onderzoeksprotocol. In die gevallen is het advies om het onderzoek zoveel mogelijk te baseren op de kennisdocumenten van BIJ12 en de handreiking soortenbescherming van de provincie Overijssel.
Onderstaande protocollen moeten gevolgd worden bij het SMP.
|
Huismus |
|
|
Gierzwaluw |
|
|
Gewone dwergvleesmuis |
|
|
Laatvlieger |
|
|
Ruige dwergvleermuis |
|
|
Overige vleermuizen |
|
|
Egel |
Link naar Handreiking Soortenbescherming Overijssel volgt |
Telemetrie is een veelbelovende onderzoekstechniek Hierbij krijgen vleermuizen een zender (transmitter), zodat onderzoekers hun gedrag, verblijfplaatsen (zoals kraamkolonies), vliegroutes en foerageergebieden kunnen volgen. Hoewel deze methode momenteel nog geen onderdeel uitmaakt van de geldende onderzoeksprotocollen en kennisdocumenten, biedt zij duidelijke meerwaarde voor soorten die lastig te detecteren zijn, zoals de laatvlieger. Zeker voor het in kaart brengen van netwerken wordt geadviseerd om deze techniek in te zetten.
De eDNA‑methode is een nieuwe techniek om vleermuizen op te sporen via DNA‑sporen en is door het Rijk erkend voor na‑isolatie van grondgebonden particuliere woningen. De eerste resultaten zijn positief, maar de methode is nog niet betrouwbaar genoeg en daarom niet geschikt als nulmeting voor een SMP. Bij een negatieve test mag een isolatiebedrijf isoleren zonder extra maatregelen. De provincie Overijssel raadt het gebruik van eDNA af, omdat bij een positieve test altijd vervolgonderzoek nodig is naar soort, aantal dieren en type verblijfplaats. Als schade aan dieren of verblijfplaatsen niet kan worden voorkomen, is een flora‑ en fauna‑vergunning verplicht.
In het eerste deel van de rapportage wordt ingegaan hoe het onderzoek is uitgevoerd. Hierin wordt bijvoorbeeld beschreven welke protocollen zijn gevolgd, waar en waarom is afgeweken en voor welke locaties meer aandacht geweest is omdat daar belangrijke functies verwacht werden.
In het volgende deel wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Hierin staat beschreven wat de potenties van het gebied voor de te verwachten soorten en de kenmerken van het gebied zijn. De onderzoeksresultaten bestaan uit waarnemingen, kaartmateriaal en een uitgebreide beschrijving van de aangetroffen soorten en functies.
In het eerste deel van de rapportage wordt ingegaan hoe het onderzoek is uitgevoerd. Hierin wordt bijvoorbeeld beschreven welke protocollen zijn gevolgd, waar en waarom is afgeweken en voor welke locaties meer aandacht geweest is omdat daar belangrijke functies verwacht werden.
In het volgende deel wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Hierin staat beschreven wat de potenties van het gebied voor de te verwachten soorten en de kenmerken van het gebied zijn. De onderzoeksresultaten bestaan uit waarnemingen, kaartmateriaal en een uitgebreide beschrijving van de aangetroffen soorten en functies.
In de rapportage van de nulmeting staan de volgende onderdelen beschreven
-
Een onderbouwing van de onderzoeksmethode
-
De afbakening van het plangebied en indeling in deelgebieden
-
De resultaten van het literatuuronderzoek
-
Foerageergebied en verbindingsroutes
-
Belangrijke verblijfplaatsen, ecologische functies, kolonies en netwerken.
-
Verwachte populatie aantallen per soort (eventueel per deelgebied)
-
Een onderbouwing van de resultaten
Tijdens het ecologisch onderzoek is vastgesteld waar belangrijke verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratieroutes zich bevinden. Ook is duidelijk welke werkzaamheden onder het SMP vallen. Met deze informatie is beoordeeld wat de effecten zijn op soorten en functies. Daarbij is gekeken welke verbodsbepalingen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit zijn artikel 11.37 lid 1 BAL, 11.46 lid 1 BAL en 11.54 lid 1 BAL. Bij de werkzaamheden worden overtreden. Op basis hiervan wordt een effectenbeoordeling gedaan: een analyse van de gevolgen van de geplande werkzaamheden voor beschermde soorten en hun leefgebied.
Om goed te kunnen beoordelen wat de effecten van werkzaamheden zijn op populaties van beschermde soorten, is het belangrijk om eerst te kijken waar de knelpunten in de gemeente liggen. Dit kunnen bijvoorbeeld wijken zijn waarin al veel renovatie- of verduurzamingswerkzaamheden hebben plaatsgevonden waarbij verblijfplaatsen van vleermuizen verloren zijn gegaan. Of een groenstrook die door een nieuwe weg in tweeën is gedeeld waardoor egels die plek niet meer kunnen gebruiken als verbindingszone. Deze knelpunten worden zichtbaar gemaakt op een knelpuntenkaart. Daarna wordt een kansenanalyse gemaakt: een plan waarin staat hoe knelpunten worden opgelost en hoe kansen benut kunnen worden om de lokale staat van instandhouding van de soorten te verbeteren.
Een bomenlaan wordt onderbroken door een brede weg met felle verlichting. Hierdoor kunnen vleermuizen de bomenlaan niet gebruiken als vliegroute (knelpunt). Door op de kruising vleermuisvriendelijke verlichting aan te brengen, kunnen ze de route wel gebruiken. Zo ontstaat een betere verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden (kans).
Bij het beoordelen van effecten op beschermde soorten wordt niet alleen gekeken naar de geplande werkzaamheden binnen het SMP. Ook andere ontwikkelingen – uit het verleden, het heden en de toekomst – worden meegenomen die samen met deze werkzaamheden extra invloed kunnen hebben op soorten. Denk bijvoorbeeld aan eerdere renovaties of toekomstige bouwprojecten. Als zulke ontwikkelingen samen zorgen voor meer schade aan een soort worden dat cumulatieve effecten genoemd.
In een wijk heeft een woningcorporatie al veel huizen geïsoleerd. Daarbij zijn verblijfplaatsen van vleermuizen verdwenen. De paar particuliere woningen die nog over zijn, worden daardoor extra belangrijk. Als ook die worden gerenoveerd, kan het effecten op vleermuizen groter zijn dan normaal. Daarom is het belangrijk om zulke ontwikkelingen mee te nemen in de beoordeling en zo nodig extra maatregelen te nemen.
Een vergunning op basis van een SMP geldt maximaal 10 jaar. Om in deze periode de lokale staat van instandhouding van soorten te behouden en te verbeteren, is het belangrijk om vooraf een duidelijke ambitie te bepalen voor de lange termijn. Deze ambitie bestaat uit de doelen per soort(groep) en het versterken van natuurwaarden (groene plus).
Op basis van de nulmeting worden doelen geformuleerd over de populatiegrootte en/of -ontwikkeling in de komende 10 jaar. Deze doelen worden concreet gemaakt, bijvoorbeeld door een gewenste populatiegrootte, het aantal broedparen of een groei in procenten ) te noemen. De doelen worden onderbouwd met concrete acties. In de monitoringsrapportages van jaar vier en jaar negen van het SMP (zie hoofdstuk 7) staat hoe het gaat met het behalen van doelen en of er extra acties nodig zijn.
Omdat SMP’s vaak grootschalig en integraal zijn, bieden ze kansen om de natuurwaarden en biodiversiteit in een gebied te verbeteren. Zo kan de staat van instandhouding van aanwezige soorten op de lange termijn worden gewaarborgd. Deze kansen worden de groene plus genoemd. In het SMP worden hiervoor doelen en ambities opgesteld. Deze komen zoveel mogelijk voort uit de kansenanalyse (zie paragraaf 4.1) en gaan over de vijf V’s (zie kader). Denk hierbij aan het verbeteren van foerageergebied van huismussen, het toegankelijk maken van gebouwen voor vleermuizen of het toegankelijk maken van tuinen voor egels. De doelen en ambities worden onderbouwd met maatregelen (zie hoofdstuk 6).
De 5 V’s zijn de essentiële onderdelen in het leefgebied van een soort:
1.Voortplanting (bijv. nesten of kraamverblijven)
2.Voedsel (bijv. foerageergebied)
3. Veiligheid (bijv. dekking)
4. Verbindingen (bijv. vliegroutes)
5. Variatie (bijv. gevarieerd aanbod verblijfplaatsen)
Om een vergunning te krijgen voor een flora- en fauna-activiteit, moet een aanvraag op basis van een SMP een duidelijk mitigatie- en compensatieplan bevatten. In dit plan staat hoe de staat van instandhouding van de soorten wordt beschermd. Het plan legt uit hoe negatieve effecten op soorten worden voorkomen (mitigatie) en hoe effecten gecompenseerd worden (compensatie).
In een SMP wordt ervan uitgegaan dat bij alle werkzaamheden mitigatie en compensatie nodig zijn. Dit komt doordat effecten op soorten op basis van de resultaten van de nulmeting niet helemaal uit te sluiten zijn.
Voor elke werkzaamheid wordt vastgelegd hoe deze moet worden uitgevoerd om schade aan beschermde soorten te beperken. Ook wordt vastgelegd welke compensatie nodig is. Daarnaast worden algemene maatregelen opgenomen, zoals werken volgens een natuurkalender en het voorkomen van verstoring door licht en geluid. Bij het kiezen van maatregelen wordt een algemene prioritering aangehouden.
Prioritering bij het migratie- en compensatieplan
1. Behoud van de oorspronkelijke verblijfplaats of het leefgebied
2. Reconstrueer de oorspronkelijke verblijfplaats in de nieuwe situatie, bijvoorbeeld vergelijkbare afmetingen, windrichting en materialen
3. Het realiseren van compeserende voorzieningen, zoals inbouwkasten.
Bij het maken van een mitigatie- en compensatieplan moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van maatregelen die bewezen effectief zijn. Volgens Hunink betekent dit: “Er is sprake van een specifieke maatregel die in meerdere vergelijkbare, maar afzonderlijke gevallen aantoonbaar effectief is gebleken om het ongewenste effect te voorkomen of om schade door een handeling aan de standplaats van een plant of functionaliteit van een nest of verblijfplaats van een soort te voorkomen of ongedaan te maken, in Nederland of aangrenzende regio’s die overeenkomen met de ecologische vereisten van de betrokken soort.”
Voor een aantal soorten zijn bewezen effectieve maatregelen beschikbaar. Denk aan zomer- en paarverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis of nestkasten voor huismussen. Voor andere soorten, zoals de laatvlieger of meervleermuis, zijn geen bewezen effectieve maatregelen beschikbaar. In die gevallen worden altijd maatwerkvoorzieningen toegepast. Deze zijn gebaseerd op de best beschikbare kennis (‘best practice’) over de ecologie van de soort; anekdotisch bewijs over gebruik van soortgelijke voorzieningen en informatie uit de BIJ12- kennisdocumenten. Voor kwetsbare functies zoals kraamverblijven en massawinterverblijven worden deze voorzieningen altijd gemonitord (zie hoofdstuk 7).
Om de doelen van de groene plus (zie hoofdstuk 5) te halen, zijn concrete maatregelen nodig. Deze worden genomen door de gemeente en/of meewerkende partijen. Ze zijn niet direct gerelateerd aan werkzaamheden en vervangen geen verloren verblijfplaatsen. Ook hierbij wordt rekening gehouden met de vijf V’s (zie hoofdstuk 5). Voorbeelden zijn: een kerkzolder geschikt maken voor vleermuizen of een plantsoen zo inrichten dat huismussen en egels er kunnen foerageren.
Door middel van monitoring wordt inzicht verkregen in hoe het gaat met beschermde soorten in het plangebied, of uitgevoerde (experimentele) maatregelen effect hebben en of de groene plusmaatregelen zijn uitgevoerd. Monitoring is belangrijk om te kunnen bijsturen als er onverwachte negatieve effecten zijn voor beschermde soorten. Ook laat monitoring zien of doelen en ambities worden gehaald. Als dat niet zo is, moet het SMP worden aangepast in aanpak en maatregelen.
Bij het SMP en de monitoring wordt rekening gehouden met veranderingen, zoals het verplaatsen of vestigen van nieuwe soorten en functies. Komen er tijdens de looptijd van een SMP nieuwe soorten bij die niet in het plan staan? Dan moet de vergunning worden aangepast. Dit kan via een wijzigingsverzoek voor een flora- en fauna activiteit via het omgevingsloket.
De monitoring onder het SMP bestaat uit drie onderdelen:
- Jaarlijks een monitoring van de populatieontwikkeling in het plangebied;
- Periodieke monitoring van belangrijke en kwetsbare ecologische functies;
- Periodieke monitoring van de effectiviteit van de maatregelen
Voor de monitoring van de populatieontwikkeling wordt geadviseerd om de MUS- (Meetnet Urbane Soorten) en VleerMUS-methodes te gebruiken. Meer informatie hierover staat in de handleidingen van SOVON en de Zoogdiervereniging. Deze methodes worden in heel Nederland gebruikt, zodat resultaten vergeleken kunnen worden met andere gemeenten en provincies. De monitoring van populaties gebeurt elk jaar tijdens de looptijd van de SMP-vergunning
Sommige functies zijn heel belangrijk voor het voortbestaan van lokale populaties van soorten. Denk aan kraam- of massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen of kolonies van huismussen of gierzwaluwen. Als deze verdwijnen, kan dat grote gevolgen hebben voor de populatie. Daarom is het nodig om deze functies periodiek te monitoren. Aangeraden wordt om kraamkolonies en massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen en kolonies van broedende vogels (zoals huismus, gierzwaluw en huiszwaluw) die bij de nulmeting zijn gevonden opnieuw te zoeken en de koloniegrootte te registreren (aantal vleermuizen of het aantal bezette nesten van vogels in de kolonie). Deze monitoring gebeurt twee keer tijdens de looptijd van de vergunning, bij voorkeur in jaar vier en jaar negen.
Het succes van een SMP hangt af van de effectiviteit van de maatregelen. Vooral bij kwetsbare functies, zoals kraamkolonies van vleermuizen, is het belangrijk om te weten of de voorzieningen goed werken . Daarom is monitoren van kraamvoorzieningen een belangrijk onderdeel van het SMP.
Voor soorten waarvoor bewezen effectieve kraamvoorzieningen bestaan (zoals de gewone dwergvleermuis), is een steekproefsgewijze monitoring voldoende in jaar vier en jaar negen. Voor soorten waarvoor geen bewezen effectieve kraamvoorzieningen bestaan (zoals laatvlieger en meervleermuis), worden alle voorzieningen gemonitord. Ook deze monitoring vindt plaats in jaar vier en jaar negen.
De resultaten van de monitoring komen in een jaarlijkse rapportage die door de gemeente wordt gedeeld met de provincie. Als blijkt dat populaties achteruitgaan, kraamkolonies in grootte zijn afgenomen of kraamvoorzieningen niet worden gebruikt, kan bijsturing noodzakelijk zijn. In dat geval maakt de gemeente een plan met verbeteringen voor het SMP. Dit plan wordt besproken met de provincie besproken, waarna wordt besloten of de vergunning gewijzigd moet worden. In de monitoringsrapportage staat ook welke groene plus maatregelen zijn uitgevoerd en de voortgang van de gestelde doelen en ambities.
1. Een samenvatting van de relevante resultaten uit het nulonderzoek;
2. Een overzicht van de resultaten van de uitgevoerde monitoring, inclusief kaarten waarop de resultaten grafisch weergegeven worden;
3. Een analyse van de jaarlijkse populatiemonitoring, inclusief schematische weergave van de resultaten en ontwikkelingen over de jaren/
4. Een analyse van de ontwikkelingen binnen de kwetsbare ecologische functies, inclusief schematische weergave van de resultaten en ontwikkelingen over de jaren;
5. Een analyse van de effectiviteit van de onderzochte maatregelen;
6. Een voorstel ten aanzien van verbeteringen die doorgevoerd kunnen worden binnen het SMP.
In het hoofdstuk ‘Management- en administratieplan’ van het SMP staat hoe de processen, communicatie en verantwoordelijkheden zijn geregeld. Dit is belangrijk om de geplande werkzaamheden goed te laten verlopen, vooral in relatie tot de functies van beschermde soorten.
De gemeente is vergunninghouder en mag het gebruik van de SMP-toestaan aan derden. Dit kunnen woningbouwverenigingen, projectontwikkelaars of particulieren zijn. Om dit goed te regelen, bevat het SMP een uitvoeringsplan. Hierin staat hoe derden hun werkzaamheden moeten melden, registreren en terugkoppelen. Het plan bevat in elk geval:
- Een beschrijving van het meldingssysteem, met contactgegevens van de verantwoordelijke ambtenaar (de SMP-coördinator);
- Een beschrijving van het GIS systeem dat gebruikt wordt om uitgevoerde werkzaamheden en compenserende maatregelen inzichtelijk te maken (zie Bijlage I voor de eisen aan dit systeem);
- Een beschrijving van hoe meldingen, ecologische werkprotocollen en logboeken beschikbaar zijn voor de toezichthouders van de provincie Overijssel. Deze informatie blijft beschikbaar zolang de vergunning geldt.
Wanneer initiatiefnemers werkzaamheden willen uitvoeren onder de SMP-vergunning, moeten zij voldoen aan de eisen en voorwaarden uit die vergunning. In een ecologisch werkprotocol wordt vastgelegd hoe aan die eisen wordt voldaan en welke mitigerende en compenserende maatregelen worden genomen. De ecologische werkprotocollen bevat in ieder geval de onderdelen die beschreven staan in onderstaand kader. De vergunninghouder verzamelt en bewaart deze werkprotocollen. Toezichthouders van de provincie kunnen dit inzien. Voor niet-particuliere gebruikers van de SMP-vergunning stelt een onafhankelijke ecologisch deskundige het werkprotocol op. Particulieren mogen dit laten doen door een aannemer die de training ‘Natuurvrij maken’ heeft gevolgd en toepast.
1. Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden;
2. Beschrijving van betrokken partijen met contactgegevens (initiatiefnemer, uitvoerder, ecologisch deskundige);
3. Beschrijving van effecten op beschermde soorten, op basis van de nulmeting en een fysieke controle van de bebouwing en directe omgeving;
4. Onderbouwing van de planning inclusief uitvoering, maatregelen en ongeschikt maken;
5. Beschrijving van de compenserende en mitigerende maatregelen om een negatief effect op soorten te voorkomen.
6. Beschrijving van de maatregelen om de ecologische plus te realiseren.
Elk jaar maakt de gemeente een rapportage voor de provincie Overijssel (zie onderstaand kader voor de verplichte onderdelen). Hierin staat de voortgang van het SMP, de ambitie van het aankomende jaar en wat de resultaten zijn van de uitgevoerde monitoring (zie hoofdstuk 7). De rapportage wordt na oplevering besproken in een evaluatiegesprek,
- Een overzicht van de in dat kalenderjaar uitgevoerde projecten, de effecten op beschermde soorten en de genomen maatregelen;
- Afschriften van ecologische werkprotocollen en meldingen van dat kalenderjaar;
- Beschrijving van de in dat kalenderjaar genomen maatregen om de ecologische plus te realiseren;
- Een rapportage van de jaarlijks populatie-monitoring;
- Eventueel een rapportage van de monitoring naar belangrijke en kwetsbare ecologische functies en de effectiviteit van compensatie;
- Een beoordeling van de ontwikkeling van de staat van instandhouding van alle betrokken soorten;
- Signalering van buurten waar veel werkzaamheden plaats hebben gevonden waardoor aanvullende maatregelen nodig zijn, inclusief beschrijving hiervan;
- Een evaluatie van het SMP en de genomen maatregelen;
- Verbetervoorstellen en/of bijsturing van de implementatie van het SMP
Als het nodig is om het SMP of de omgevingsvergunning aan te passen, bijvoorbeeld door uitbreiding van activiteiten of ontwikkelingen die van invloed zijn op de werking van het SMP of de omgevingsvergunning, dan vraagt de gemeente een wijziging aan van de bestaande omgevingsvergunning. Het is wenselijk om te werken met één SMP en één omgevingsvergunning. Zo is het duidelijk wat geldt en wat uitgevoerd moet worden. Een aanvraag voor het wijzigen kan leiden tot een nieuwe omgevingsvergunning die de oude vervangt.
Het SMP-registratiesysteem dat gemeenten gebruiken voor de implementatie van hun SMP voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
- In de applicatie is alle relevante data uit het SMP op een eenvoudige wijze toegankelijk voor gemeente, provincie, én initiatiefnemers.
- De applicatie is gekoppeld aan de ecologische informatie (bijvoorbeeld NDFF) die al openbaar toegankelijk is.
- De applicatie maakt het mogelijk om nieuwe ecologische gegevens toe te voegen op basis van veldonderzoek of andere vormen van monitoring. Hierbij moet ook een datum vermeld kunnen worden, om onderscheid te maken tussen verschillende jaren.
- De vergunninggebruiker kan in de applicatie eenvoudig een aanvraag doen om gebruik te maken van de omgevingsvergunning.
- In de applicatie is naast de ecologische data ook het gekoppelde ecologische werkprotocol beschikbaar. Dit gaat om alle werkzaamheden uit de omgevingsvergunning aan panden voor alle initiatiefnemers.
- Het ecologische werkprotocol wordt automatisch gegeneerd in de applicatie, maar het definitieve gebruik van de omgevingsvergunning wordt altijd door een werknemer van de gemeente goedgekeurd.
- Gemeenten kunnen aanvragen beoordelen, goedkeuren of afwijzen.
- De aanvraag voor gebruik van de omgevingsvergunning kan zowel gedaan worden door de pandeigenaar als door de werkuitvoerder.
- Het moet mogelijk zijn om meerdere aanvragen vanuit één account tegelijkertijd te hebben lopen.
- De applicatie biedt een digitale boekhouding waarin per aanvraag of projectgebied wordt vastgelegd:
- welke werkzaamheden op welke locatie zijn uitgevoerd;
- wanneer de werkzaamheden zijn uitgevoerd;
- welke compenserende maatregelen zijn toegepast;
- welke maatregelen zijn getroffen in het kader van de groene plus.
- De applicatie biedt verschillende exportmogelijkheden om data beschikbaar te hebben voor bijvoorbeeld voortgangsrapportages en monitoringsrapportages.
- Gemeenten en provincie hebben op een hoger niveau toegang tot de data, bijvoorbeeld voor monitoring van aangebrachte voorzieningen en toezicht en handhaving. Hier zijn voldoende data opgenomen om aan de in de vergunning opgenomen verantwoording te kunnen voldoen.